Sitemap

1894 Govaerts Pierre en Francois Marie Agnes gezin

site search by freefind advanced
 

HEERS
EN ZIJN 12 KERKDORPEN

Geschiedenis, anecdotes, verhalen en famliliefoto’s over Heers en zijn deelgemeenten

U bevindt zich hier:

Gemeenten

Informatie

Nieuws uit Heers

|   Home |   Mechelen-Bovelingen |   Bovelingen in 1842

Een “dorpsfoto” van Bovelingen in 1842. (studie op basis van gegevens van het Kadaster)

 Wij weten allen graag hoe onze voorouders hier in het dorp leefden. We bedoelen dan niet zozeer onze grootouders want die hoorden we het zelf vertellen.  Maar wel over mensen die hier tweehonderd jaar en méér geleden rondliepen. En dat is niet gemakkelijk om daarover iets van Bovelingen terug te vinden. Ik heb nu wel een aanknopingspunt gevonden, namelijk het jaar 1842. U zult nu denken , waarom in Gods naam het jaar 1842.
 Wel, het jaar 1842 in het bijzonder, en ook de jaren die er direct op volgden, zijn een periode waarvoor er héél veel bronnen bewaard zijn over het leven van de mensen in onze dorps-gemeenschap.
 Waarom?
Wel in het prille koninkrijk België kwamen de nieuw opgerichte administraties op kruissnelheid. Ze moesten informatie hebben om degelijk te kunnen werken. Zo heeft de dienst Kadaster in Limburg  dan van elk dorp een beschrijving gemaakt ten einde uit die gegevens ook aan elk onroerend goed een kadastraal inkomen toe te kennen en alzo voor inkomsten te zorgen in het prille België.
  
Processen-verbaal van Afpaling
Voor onze onafhankelijkheid waren hier de Franse wetten op het Kadaster van toepassing en in Limburg duurde het nog tot omstreeks 1840 vooraleer de hele operatie van het kadastraal opmeten en identificeren van de eigenaars achter de rug was.

Om dus de waarde van een onroerend goed te kunnen bepalen heeft het kadaster in Limburg een boek bijgehouden waarin per gemeente allerlei specificaties  werden beschreven. Dit boek noemde men in interne kring :“de processen-verbaal van afpaling”,

Wat staat er zoal in die processen-verbaal ?
 Men beperkte zich daarin niet enkel met de oppervlakte van het perceel en de grootte van de woning. Nee er was meer. Ook de ligging van de gemeente , de kwaliteit van de wegen, de afstand tot de marktplaatsen en de gemiddelde prijzen van de veldvruchten op die markten, de aanwezigheid van een waterloop om een watermolen te kunnen aandrijven, eventuele handels- of industriële activiteiten enz...  Het had allemaal zijn invloed op de waardering van het vastgoed.

Tabel van classificatie van Grondeigendommen
In dit gemeentelijk dossier vinden we ook een document terug dat als het ware een “geschreven foto” is van de dorpjes uit die tijd. Naast een algemene beschrijving van het dorp, wordt er ook veel aandacht besteed aan de afstanden tot de naburige steden, de wegen, de waterwegen, de aard van de economische activiteiten, de bewoning en het inwonersaantal. Ze kunnen allemaal een invloed hebben op de waarde van het onroerend goed.
Ook volgt er een indeling van de akkers, de weiden, de hooilanden en de  gebouwen, met telkens voor elk een opgave van de jaarlijks geschatte huuropbrengst (zeg maar K.I.)

Opmerkelijk hierbij is dat alles gewaardeerd werd in Nederlandse gulden, alhoewel België sinds 1830 toch onafhankelijk was. Dit is grotendeels te wijten aan het feit dat er enige tijd overheen ging vooraleer men het eens werd over de nieuwe munt. De “belgische frank” werd geboren met de wet van 05 juni 1832. Vanaf dan kon men beginnen met de aanmaak (één frank bevatte 5 gram zilver), maar er moesten ook voldoende stukken gemaakt worden van 5fr, 2fr, 0,50fr en 0,25fr, zonder de koperstukken van één, twee, vijf en tien cent te vergeten, die ook allen nodig waren voor het dagelijks gebruik. Zo bleef de gulden nog jarenlang het belangrijkste betaalmiddel.

Laten we eerst eens enkele begrippen bekijken en nagaan hoe de toestand in Mechelen  was.

De Gezondheidszorg:
De dorpsbewoners, van kasteelheer tot boerenknecht, leefden in een toestand die ons nu aan armoede zou doen denken. Ook wie het kasteel bewoonde moest bij een acuut medisch probleem, uren wachten voordat een dokter ter plaatse was. De uitbouw van een netwerk van medici dat garant kon staan voor een goede gezondheidszorg, stond nog in zijn kinderschoenen.

De Buitenwereld.
De meeste inwoners hadden weinig contact met de buitenwereld. De uitzonderingen waren op één hand te tellen.
In de eerste plaats was er de kasteelheer en zijn familie. Ze bezaten een huis in Brussel of Luik en een groot deel van hun sociaal leven speelde zich daar af. Ze vertegenwoordigden ons dorp in de provincieraad; in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en/of in de Senaat. . Bekend namen zijn François de Borchgrave d'Altena , de kasteelheer uit Bovelingen.

Een andere groep die de wereld buiten het dorp had gezien waren de jongens die  van het leger terug keerden. In 1842 moesten nog niet alle jongeren legerdienst doen, het leger was dus veel kleiner dan later bij het invoeren van de algemene dienstplicht. Voor 1842 was het contingent dienstplichtige soldaten dat de provincie Limburg moest leveren, vastgesteld op 418.
Op basis van het inwoners aantal van elke gemeente werd dit dan verdeeld. Moest een gemeente minder dan twee jongens leveren, omdat ze te klein was, dan werd ze samengevoegd.

           Hoe gebeurde de loting ?
                De loting gebeurde in de hoofdplaats van het militiekanton. Voor ons dorp was dat toen in
                het stadhuis van St-Truiden op 28/02/1842. Voor 9 uur moest de vertegenwoordiger van
                het gemeentebestuur aanwezig zijn samen met alle jongens die voor de loting waren
                aangewezen. Men begon stipt om 9 uur met de jongens die het verst gekomen waren,
                zodat ze ook bijtijds terug thuis waren.

Tenslotte waren er nog de reizende handelaars die het dorp aandeden en die verhalen van elders mee brachten .
De leefwereld van de meeste inwoners bleef dus beperkt  tot het eigen dorp. Op kermisdagen of als er ergens een missie gepreekt werd kwamen ze ook in de buurdorpen. Op de marktdagen gingen sommigen naar St-Truiden om producten van hun boerderij te verkopen. Tezelfdertijd brachten ze ook producten mee die in het dorp niet te krijgen waren : klompen, stoffen en uitzonderlijk schoenen.

Eenmaal per jaar, in de meimaand , werd in groep te voet een tocht gemaakt naar Scherpenheuvel. Van Brussel hadden ze ook een vaag besef want daar woonde de koning in een paleis en geregeld werden de gelovigen in de zondagspreek opgeroepen  om te bidden en te offeren voor de intenties van de paus in Rome.

Het plaatselijk bestuur.
Ook de bestuurders van de gemeente moesten zich zelden bekommeren met problemen buiten het dorp. De greep van het landsbestuur op de dorpen was niet zo groot als nu. . Phillippe D'Awans was burgemeester, als plaatsvervanger van Graaf Franciscus Henricus Michel Walram de Borchgrave-d'Altena die verkozen was als senator. De graaf was tevens  de mecenas van de schutterij die de naam droeg van “Broederschap van de H. Martinus” . Uit het verslag dat werd opgesteld kunnen wij achterhalen dat hij in het jaar 1842 meerdere keren een aam bier schonk aan de leden. Ze kregen dat jaar van hem ook 10 pluimen om aan te brengen op hun hoeden. Pastoor Herman Vandecan had toen nog  twee coadjutors namelijk Guilliams en Meyer


Wat was er nog meer te vertellen over het dorp ?

De bevolking en haar huisvesting.
- De 589 inwoners waren gehuisd in 144 woningen.  Omgerekend betekend dit dat er gemiddeld per woning 5,16 mensen verbleven. Ik heb geen cijfers van de omliggende dorpen, doch bij vergelijking met Tessenderlo (cijfer mij doorgespeeld door een collega) zou dit ongeveer identiek zijn.
- Negen woningen bleken “buiten categorie” te zijn. Daaronder het kasteel van de senator graaf de Borchgrave-d'Altena.  De rest was betrokken door de keuterboeren en werklieden. Daaronder ook 34 (laagste klasse) “schuilplaatsen voor behoeftigen” die ze als volgt beschreven : “...de tiende klasse bestond uit enige kleine hutten, met stro bedekt”         


De dorpsidentiteit
Een dorp uitsluitend gericht op de landbouw. Van de veeteelt wordt niet veel gesproken. Paarden werden gefokt voor eigen gebruik. In een bijgebouw van het kasteel was reeds plaats voor  18 paarden.  Ook het bestaan van “schaepsweiden” laat vermoeden dat er plaats nodig was om de 220 schapen eten te bezorgen. 

Ook wordt ook een beschrijving gemaakt van de twee molens : de waterkoorn- en de windkoornmolen, beiden eigendom van de graaf doch uitgebaat door W. Meers, waar zowel de dorpelingen als mensen uit de omliggende dorpen hun graangewassen lieten malen. Daarenboven is ook de beschrijving van het interieur van het kasteel heel relevant.

Wat mij echter bijzonder opviel was een beschrijving van de dorpsbrouwerijen. Dat er destijds in het dorp ook flink gedronken werd konden we wellicht vermoeden. Nu echter weten we ook vanwaar die drank kwam en bij benadering ook hoeveel er werd gemaakt. Naast de  brouwerij
van het kasteel (jaarlijks +/- 150 hl voor eigen gebruik) waren er ook de brouwerijen bij Lambert DAWANS (ketel 20,20 hl en ongeveer jaarlijks 350hl)  en weduwe BELLIS Henri (ketel 16hl en jaarlijks 150hl).       

De Landerijen.
Uitgaand van de totaal weerhouden dorps-oppervlakte (445ha37a85ca) kunnen wij stellen dat  66,5% voor de landbouwgewassen gebruikt werd (295ha87a85ca). Voor de prille Belgische staat was het dus belangrijk hier een belasting op te vestigen. En omdat de gronden niet even vruchtbaar waren werden ze onderverdeeld in 4 klassen. In elke klasse werd dus een belastbaar bedrag per Ha toegekend.

Hoe werd dit nu berekend ?
Men ging uit van een algemeen toegepast zes-slagstelsel en berekende alzo de bruto opbrengst (onzuyveren opbrengst) voor de duur van zes jaar.
    
Daarvan werden dan de kosten over dezelfde periode afgetrokken  (bv. Onkosten voor ploegen, eggen, bezaaiing, bemesting, lonen enz.) Die onkosten schommelden tussen de 63% (1 kl) en de 70% (4 kl) van het onzuiver geschatte inkomen.

Het verschil (de zuyveren opbrengst) werd gedeeld door zes en men bekwam alzo het jaarlijks  belastbaar bedrag per klasse grond en per hectare.    

Per klasse was dat in ons dorp :
                1° klasse :  30,00 fl
                2° klasse :  25,00 fl
                3° klasse :  17,00 fl
                4° klasse :  10,00 fl

   Ook valt te concluderen dat de grond als vruchtbaar mocht worden beschouwd :
- 34,4% van de landbouwgrond werd als 1° klasse bestempeld.
- 43,5%            “                                     2°          “
- 19,6%            “                                     3°          “
- 2,50%            “                                     4°          “


Besluit
Besluiten kunnen we deze studie met de gedachte dat er toch een aantal onopgehelderde  punten uit onze dorpsgeschiedenis door dit rapport ontsluierd werden en dat we een betere kijk hebben gekregen  op het leven van de mensen (onze bet-overgrootouders) dat ons niet zo vertrouwd was. 

Jos Schoefs november 2016

 

 

©GvSw2002-2016

Disclamer

Contact

Medewerkers-auteurs

get_adobe_reader

GvSw webdesign