Sitemap

1894 Govaerts Pierre en Francois Marie Agnes gezin

site search by freefind advanced
 

HEERS
EN ZIJN 12 KERKDORPEN

Geschiedenis, anecdotes, verhalen en famliliefoto’s over Heers en zijn deelgemeenten

U bevindt zich hier:

Gemeenten

Informatie

Nieuws uit Heers

|   Home |   Algemeen |   Dialecten

- (nen) duur: een stier
- aa of aet: oud
- aazebejer : aardbei (elders ook jaadbejere)
- amberaas: zorgen
- aofgang : diarrhee
- arties : veearts
- azebjeer: aardbei
- baas:  mand 
- balveurnk: (oude jutezak, dient als) voorschoot
- bedwaesemd : ruit is aangeslagen
- beesj : noordenwind (fel beis, kaa weind)
- beklappen : kwaad spreken over
- bèrvuts: blootvoets
- bescheir (moaken) : drukte (maken)
- beslaog: beroerte
- bessem:  bezem
- beuking : gerookte haring
- beussel : bussel, bos (bloemen)
- bielen: blaffen  (van een hond)
- bisteren : beitsen
- bjojvet, biejeweg : bedevaart
- blown: merel
- boekesekoeken : pannenkoeken
- boeteman: om kinderen schrik te jagen
- boev ('nne boev jetten): brokje (eten)
- bojem: bodem
- bosselsneijer : zoe gestrant as enne bosselsneijer
- broekscheiter: bangerik
- brout: brood
- bruistig: bronstig (loops)
- buuk: boeken
- compot of prut : appelmoes
- daoghuur : dagloon
- daugter: dochter
- daus : doos
- daut: dood
- deiren : durven
- dèren: durven 
- deudsbieltje : doodsprentje
- devown: duiver
- dikkemam: grootmoeder 
- dikkepa: grootvader
- djaajd: aarde
- djanter, helse djanter : helse duivel
- djeuzen : afloop van dak zonder goot
- djoanehoag : meidoornhaag
- donderroei : donderafleider
- dreiechtig : duizelig
- drek : dadelijk
- dreup : druppel
- dummen : tepels van koe
- dzjat: tas
- eintjige: enige 
- erm: arm
- fabries : bakkebaard
- feinkelhoat : stoofhout
- fiezelen : fluisteren
- fletsen: vleien
- foetgoan: weggaan
- geboere : buurt
- gestrant : stout
- grène: graan
- griensen: wenen 
- gruun: groen
- haas(te) : handschoen(en)
- haosewei : stuk braakliggend grond
- heulentejer : vlier, soort haag (struik)
- himskneupke: hemdsknoopje
- hinger: ginds
- hoemelen: : iets aan het uitspoken
- howesdoek : opneemdoek
- huijt: hoofd
- jalper: aardappel
- kalbas : boekentas
- keind: kind
- keingermoag : kindermeid
- kenjoelenhoag : snelzeiker
- kernoefel : anjer
- kerreget ekster
- kersjeiren : vrijen
- kestel: - kapmes, houstel
- kjolder: kelder
- kjolderkoewt: keldergat
- kjoos: kers
- klitteklatten : soort bloem
- koewt: gat
- krapul: smeerlap
- kreel - baksteen
- krejewaogel: kruiwagen
- krek: juist
- kretsen: krabben
- kretske : lucifer
- krienekroan: kraanvogel
- kroezel  (rooj kroezel): (rode) bes
- krosjeteren : borduren, haken
- kroten (Mechelen): bieten
 

 

- kuillsteukke: peren soort 
- kurre: big (jong varken)
- kwetter: kater
- lammerstat : sering
- lanterfanten: treuzelen :
- latjaan: lantaarn
- laug : lucht
- launkat spelen: verstoppertje spelen
- leumeren = luimeren (van een vuur)
- lijs: les 
- luipig: loops
- luiter : overschot aan op- en afwaswater
- mam of mooijer: moeder
- maus: muis
- mauws: modder
- mauwsplauwt: spatbord
- meike : bosje bloemen
- meis: mest
- meis: mis (kerkdienst)
- mèt enne mauj klitsen : knikkeren
- metske: meisje
- mieremet: mier
- milant: midden
- moal: zak van jas
- moch: meid
- muis: mus 
- nafbak - benzinetank
- noasstond: avondeten
- paltoo: jas
- pautestoemp: wortelstamppot
- pauwt : meter
- peetje: peter
- piepel : vlinder
- piepelgek: stapelgek :
- piering: pier (regenworm)
- pies: urine 
- pios: houweel
- pitser : drukknoopje
- pjaad: paard
- plaffetuur : vensterluik
- plak: plaats
- plastron, cravat : das
- ploaster : pleister
- poalen : (erwten) peulen
- préjekelaus: gevaarlijk 
- prowsweurm: meikever
- prut of compot : appelmoes
- rammelkèr: oude kar
- rauws: roos 
- rebjade: bieten
- reink: ring
- ruisten: rusten 
- schaul: schuur
- schaulen: schuilen
- sitskèr: zijspan
- skotelvod : schoteldoek
- slek: slak
- sloeker: slokop 
- snaps: jenever
- snelzeiker: vrouwenbroek (vroeger)
- soade: deken
- strikken: breien
- strikken:  breien
- stroatbrats: straatloper
- stroespiere:- strohalm
- strowt: gulzigaard ook keel
- tattepoem: appelflap
- téjn: teen
- teleur, teljoor : bord
- toert : taart
- toffel: tafel
- trakaus: trektang
- tsjaffelen: trappelen 
- tuf: moto 
- vaaes : hiel
- van moe: vanwaar
- vanvères: van ver
- vassen: hielen
- veroast: vernield
- vijs: vis
- vjaas: vaars
- vjos: vers (van groenten)
- vraulievello : damesfiets
- vrotzekske: slokop
- webs: flauw eten
- weef: weduwe
- weeps: wesp 
- weindmeule : windmolen
- wermes,  wermesstof: hof, tuin
- wézevrouw: vroedvrouw 
- wijnter: winter 
- zaug: zeug
- zoan: slagroom
- zukken: zoeken
- zwelverke : zwaluw
- zwoag : vel (boord) van spek
 

 

©GvSw2002-2016

Disclamer

Contact

Medewerkers-auteurs

get_adobe_reader

GvSw webdesign