Dorpsfiguur “Teukske”

 Dorpsfiguur ‘Teukske’

Wat zegt het U nog als Mechelaar ?

Waarschijnlijk hebt u hem nooit gezien, misschien nog nooit van hem gehoord en toch is hij iemand om eens over na te denken. Een stille, vergeten dorpsbewoner van voor de vijftiger jaren.
Hij woonde in een scheefhangend, groen-overmost, lemen huisje, tegenover de gracht van de beek waar vroeger de watermolen stond. Dus enkele tientallen meters van het kapelletje van O.L.Vrouw van Lourdes aan de Burgemeesterstraat. Een huisje met een kleine moestuin, waarschijnlijk ooit de slaapplaats van de vatchies van de naastgelegen hoeve Jans.
Toch had dat huisje een mysterieus uitzicht, met zijn klein, krakend deurtje en zijn enige laaghangend en scheef vensterke, behangen met een stofferige gordijn.
Los van de woning stond ook iets als een schuur. Naar wat de mensen vertelden zouden hier twee duitse soldaten, vermomd in Amerikaanse uniformen, tijdens het Van Runstedt-offensief enkele nachten onherkenbaar verbleven hebben.
Zijn naam heb ik nooit geweten. Zelfs zijn voornaam was mij vreemd. Iedereen sprak hem aan als “teukske”. Het was een middelmatig, licht voorovergebogen en graatmager ventje. Steeds proper gekleed, met een bruin geribd, floeren kostuum. Eenmaal in de week schoor hij zich, op zaterdag, Hij had dus niet het uitzicht van een vunzige en flodderige landloper. Tweemaal daags liep hij met gehaaste tred door de “weekes” en het “stichelke” naar Graar.
Het geluid van zijn met ijzeren nagels gezoolde schoenen, liet duidelijk zijn nerveuze stap vermoeden. Maar meestal droeg hij zijn blokken en ook een kap van dikke blauwe stof, zoals toen ook de postbode rondliep.
De gemeentesecretaris bezorgde hem af en toe wat kleine werkjes, zoals distels maaien of het wegdek herstellen. Tijdens de herfst deed hij de bietencampagne in het dorpsfabriek. Dan zag men hem met “een wissen baas” sleuren naar het tarra-bureau .
Hij leefde als een Zwitsers uurwerk, te been bij het ochtendgloren en in bed bij valavond., tussendoor een vegetatief leven.
Niemand kende iets van deze man, noch zijn verleden, noch zijn heden. Hij had zich aan de eenzaamheid aangepast zonder zich om zijn lot te beklagen en ook zonder een andere levenswijze na te streven. Nu noemen we dat in symbiose met de natuur.
Elke dag bij het krieken van de morgen was hij op stap en snoof met volle teugen de seizoensgeuren op, de fruitbloesems in de lente, de korengeur en de klavervelden in de zomer, het fruit en de vallende bladeren in de herfst, en des winters de geur van het warme en rokende koemest voortgedreven door de ijzige “beis”.
Op zondag, na de schoonmaak van zijn huisje, rustte hij uit aan de deurdrempel en liet zijn oude rug opwarmen door de zonnestralen die door de populierentoppen neerdwarrelden. Zijn zondagse luiheid eindigde bij het getingel van de avond angelus. Dan sloot hij zijn deur om zich helemaal af te zonderen zodat niemand zijn solidair bestaan nog kon verstoren.

Een mens die door zijn gedrag en zijn houding een raadsel was geworden voor zijn dorpsgenoten.

Tot op een dag…men hem vond in de beekgracht, versteven en doordrenkt. Zelfmoord ? Ongeval ? Hij werd in alle stilte begraven, zonder gerechtelijk onderzoek, op kosten van “den Arme”.


Jos Schoefs 17 juli 2009

 

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *